dinsdag 26 augustus 2008
de Booker Prize
Ik heb het over het kraken, een grotendeels onschuldige bezigheid die voorziet in de woonbehoefte van veelal intelligente andersdenkende jeugd en, en passant, de schrikbarende leegstand van kantoren en gemeenschapsgebouwen aan de kaak stelt, die vaak het gevolg is van speculerende onroerend goed ratten. Dat het er bij een ontruiming niet altijd even beschaafd aan toe gaat, juicht de ME alleen maar toe. Daarvoor zijn ze tenslotte bij de ME gegaan.
Maar de regering gaat met een nieuwe wet komen die kraken strafbaar stelt en tegelijk de leegstand wil aanpakken. We weten allemaal hoe zoiets afloopt. Enerzijds heeft een van hogerhand ingesteld verbod meestal een averechts effect, zeker wanneer het verbod alternatieve of radicale elementen treft en al helemaal wanneer het bedacht is door een stelletje bekrompen burgerlijke zondagsbelijders. Anderzijds zijn de gemeenten wel de laatste aan wie je leegstandbeheer wil overlaten; het is nou juist door hún lakse nalatigheid dat die panden überhaupt zolang leeg staan.
Een typisch gevalletje van kleinzielige overheidsregulatie dus. En het komt niet eens van de PVDA. Maar goed, zoals gezegd, ik zal er niet te veel woorden aan vuil maken. Ik heb namelijk iets anders voor u. En wel dit: de short list van de Booker Prize. Ter info: de Booker Prize is de Oscar of de Pullitzer voor de literatuur.
Het leek me wel aardig om de nominaties met u te delen. Ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik vind het moeilijk om een goed boek te vinden dat niet in de vorige eeuw (of daarvoor) geschreven is. Boeken als Tirza en Joe Speedboot zijn aardig gestileerd maar tuimelen van mijn boekenplank af vanwege een gebrek aan inhoud. Het populaire ‘Nachttrein naar Lissabon’ is in mijn ogen een draak van een roman en alleen geschikt voor mensen die al way beyond hun midlife crisis zijn. En over de grootverdieners zal ik zwijgen behoudens de opmerking dat, voor wat betreft schrijfstijl, boeken als ‘de Vliegeraar’, ‘Komt een vrouw bij de dokter’ en de onvermijdelijke ‘Da Vinci Code’ niet in aanmerking komen voor het predikaat ‘Literatuur’ maar thuishoren in de categorie ‘Pulp’. Alwaar zij overigens een niet onverdienstelijke indruk achterlaten.
Ik hoop derhalve dat de nominaties van de Booker Prize mij een uitweg uit de literaire misère zullen bieden. Zo niet, dan zijn er nog wat Hemmingways en Borges te lezen en misschien begin ik nog eens aan Tolstoi’s tour de force ‘Oorlog en Vrede’, een tip van mijn vader. Maar eerst deze dus:
- The White Tiger van Aravind Adiga
- A Fraction of the Whole van Steve Toltz
- Child 44 van Tom Rob Smith
- A Case of Exploding Mangos van Mohammed Hanif
- The Enchantress of Florence van Salman Rushdie
- Sea of Poppies van Amitav Ghosh
- The Secret Scripture van Sebastian Barry
- From A to X van John Berger
- Netherland van Jospeh O'Neill
- The Lost Dog van Michelle de Kretser
- The Clothes on their Backs van Linda Grant
- The Northern Clemency van Philip Hensher
- Girl in a Blue Dress van Gaynor Arnold
Gaan er belletjes bij u rinkelen? Bij mij niet. Ik ken alleen Rushdie, de literaire terrorist. Ik ben ooit begonnen aan zijn duivelsverzen maar ik kwam er niet doorheen. Het zal vast een prachtig boek zijn maar naar mijn smaak te veel geouwehoer op de vierkante centimeter. Z’n nieuwe sla ik dus maar even over.
Ik heb inmiddels uitgevogeld dat ik ga beginnen met A Fraction of the Whole, de debuutroman van een Australiër uit mijn leeftijdscategorie die scherp, grappig en sarcastisch is, als je de recensies moet geloven. Nu maar hopen dat de boekhandel hem verkoopt voor een prijs die niet te ver af ligt van de zeventien dollar die Amazon.com er voor vraagt.
Overigens las ik in een interview met Steve Toltz (de auteur) dat hij vier jaar over het boek gedaan heeft. En alles wat hij in het eerste jaar had geschreven, heeft de schifting niet overleefd. Zoiets zet mijn eigen brouwsels in een aardig perspectief. Schrijven is een ambacht dat je leert door het veel te doen. En dan maar hopen dat je talent hebt. Als het goed is, hebben bovenstaande schrijvers dat in ieder geval wel.
dinsdag 19 augustus 2008
Erika
Had ik net een bijtende satire over de kwakkelende economie geschreven (die heus niet zo kwakkelt als dat men u wilt doen geloven), valt mijn oog op het medailleklassement van de Olympische Spelen. Er is daar iets vreemds gaande. Ik geef u de stand van zaken.
‘We’ hebben drie gouden plakken: eentje voor een vrouwenroeiboot, eentje voor een wielrenster en eentje voor de zwemsters.
‘We’ hebben vijf keer zilver: een vrouwelijke judoka, de damesachtboot, twee zeilboten met vrouwen aan boord en de dressuurploeg (twee vrouwen en, warempel, een man).
Tenslotte nog vier bronzen medailles: twee vrouwen en twee mannen met ippon en wasari.
Ik vraag u: waar zijn de Nederlandse mannen gebleven? Zijn wij nou zo slecht, of zijn onze vrouwen nou zo goed? Waar de Nederlandse vrouw als echte Foekje Dillema’s hun atletische bouw koppelen aan stug doorzettingsvermogen en mentale hardheid, verzandt de Nederlandse man in slappe excuses en een gebrek aan vorm. Alsof ze roze poloshirts dragen in plaats van oranje.
En het is niet zomaar een verschil. Het contrast tussen Vos en Bos deed me pijn aan m’n ogen. Waar Marcelien en Lobke (wie zo’n naam bedenkt verdient een medaille) volharding toonden, faalden de gebroeders Coster hopeloos. Om over de roeiers nog maar te zwijgen; zelden zo’n genante voorstelling gezien als die van de mannen-vier-met-wier. De waterpolosters verslaan wereldkampioen Italië in een heroïsch gevecht (terwijl ik dit schrijf maken ze overigens gehakt van de Hongaren) maar de voetballers laten het voor de zoveelste keer afweten. Om over de strandballers nog maar te zwijgen. Dit zijn de mannen die 's ochtends langer voor de spiegel staan dan hun egaa's. Het laatste restje trots wordt er met Nivea for men afgesmeerd.
Het lijkt erop dat de Nederlandse man niet weet wanneer hij moet pieken. Dit in tegenstelling tot de gemiddelde Chinees, Amerikaan, of Australiër. De Nederlandse mannen zijn vooral sterk in het winnen van wereldtitels in de zogenaamde tussenolympische jaren. Dus wel scoren in een oefenpotje maar niet thuis geven wanneer het er echt om gaat. Dat verklaart meteen ons laag geboortecijfer.
Een sprekend feit is dat van alle mannen alleen pinguin Pieter zijn persoonlijke record wist te verbeteren. En laat Pieter nou toevallig een van de weinige mannen zijn die in de afgelopen jaren vrijwel niets heeft gepresteerd. Kijk hier, de sleutel tot succes.
Er is misschien nog een tweede faktor die meespeelt. Wij mannen hebben immers een lokkertje nodig om te presteren. Een bonus op het werk, lingerie in bed, ik noem maar wat. In het geval van onze sporters valt mijn oog dan op het boegbeeld van onze Olympische ploeg.
Erika Terpstra.
Met alle respect, zij is nou niet bepaald wat je noemt een lekker ding. Hoe zou je je voelen, als man, als je weet dat je na het winnen van een medaille een lekkere knuffel van Erika kan verwachten? Ik zou wel twee keer nadenken voordat ik die eindsprint inzet.
Het moge duidelijk zijn dat er wat moet gebeuren, willen we over vier jaar in Londen niet eenzelfde debacle ervaren. Mijn voorstel is tweeledig. Ten eerste dient het selektiebeleid radicaal omgegooid te worden. We moeten alleen nog sporters selecteren die in de tussenolympische jaren redelijk maar niet overdreven goed hebben gepresteerd. Mannen die te veel wereldtitels hebben gehaald, mogen thuis blijven. Zij zijn bij voorbaat kansloos. Te vroeg gepiekt. Atleten als Youri van Gelder en Rens Blom daarentegen zijn meer dan welkom, zij hebben immers voldoende vormverlies getoond.
Het tweede punt zal zijn: stuur Erika met pensioen. Giet haar in brons en plant haar op een sokkel in het centrum van Wageningen. Doet het vast leuk naast de bronzen penis die ze daar al hebben. Wat we nodig hebben, is een nieuw boegbeeld. Eentje waarvoor onze mannen door het vuur willen gaan.
Een voor de hand liggende keuze is prinses Maxima, maar iemand zal toch op de kinderen moeten passen. Andere serieuze kandidaten zijn Inge Dekker en Leontien van Moorsel, ex-sporters met een hoge amusementswaarde. En als niemand wil, dan kunnen we altijd Johan nog vragen. Succes gegarandeerd.
maandag 4 augustus 2008
Earth
Gisteravond heb ik de prachtige documentaire ‘Earth’ gezien. Spectaculaire beelden die je eens te meer doen beseffen hoe fantastisch mooi de natuur
Het zal u misschien verbazen van een notoire bomenliefhebber en SUV-hater als ik, maar ik geloof niet zo in de theorie van de opwarming van de aarde. Ik zal u een aantal argumenten geven.
Allereerst moet u zich realiseren dat de zogenaamde feiten die u voorgeschoteld krijgt geen waarheden zijn, maar observaties die door wetenschappers al naar gelang hun geloof worden geïnterpreteerd. Zo is bijvoorbeeld de temperatuur in de afgelopen eeuw gestaag gestegen. Maar omdat we niet weten hoe de schommelingen in de vijftig eeuwen daarvoor zijn geweest, kunnen we onze data niet zuiver interpreteren. Net zo min als dat je de groeicurve van een baby
Waar we overigens wel een schatting van kunnen maken, is van de cycli der ijstijden. Volgens die schatting hadden we tienduizend jaar geleden al de bontjas aan moeten trekken. We leven zogezegd in toegevoegde tijd. Saillant detail daarbij is dat de opwarming van de aarde, via veranderende golfstromen en toegenomen sneeuwval hogerop, uiteindelijk zal
Een tweede probleem is dat we niet kunnen voorspellen waartoe de opwarming zal
Vervolgens moet u zich afvragen waarom wij eigenlijk zo graag willen dat alles bij hetzelfde blijft. Als Earth iets laat zien, dan is het wel dat dynamiek nou juist de motor van het ecosysteem is.
De natuur is altijd in beweging en past zich immer aan. Het laatste wat je in zo’n systeem moet doen, is ingrijpen en alles bij hetzelfde houden. 99,99% van alle diersoorten die ooit geleefd hebben is al lang en breed uitgestorven en het resultaat is de wereld die wij nu zo prachtig vinden. Het is geen wens van de natuur om niet te veranderen, het is een wens van ons. Onze motieven zijn niet zo nobel als Al Gore u wilt doen geloven.
Net zo min als dat de natuur wensen heeft, maakt zij onderscheid tussen goed en kwaad. Een beetje ijsbeer zal u zonder pardon in stukken scheuren en opeten wanneer hij u ontmoet. Waarom vinden wij hen dan zo zielig en willen we niet dat ze uitsterven?
Omdat we empatische wezens zijn. Het is de paradox in de mens dat hij dat wat leeft
Zo schieten we met het grootste gemak duizenden ganzen af zodat we onbelemmerd naar verre oorden kunnen vliegen om te genieten van de ongerepte natuur. Zo woont de baas van mijn broer naast een prachtig natuurgebied vlak onder
Ook ik bewonder de pracht en praal van het leven om ons heen. Ook ik ben fel gekant tegen het jaarlijks doodknuppelen van tweehonderdduizend zeehonden of het kappen van een stuk regenwoud ter grootte van de Britse eilanden, zoals in de afgelopen vijf jaar is gebeurd. Ik vind dit, omdat ik mens ben. Maar probeer mij niet wijs te maken dat wij mensen zo belangrijk zouden zijn dat we de levensloop van onze planeet kunnen bepalen. Het enige waar wij last van hebben, is ons ego. Ten goede en ten kwade. Het zal de rest van de wereld een zorg zijn.