Vandaag heb ik het genoegen de bekende schrijver Paul Pama te mogen interviewen over een van zijn stokpaardjes: de vrijheid van meningsuiting. Ik ontmoet de licht kalende vijftiger in een matig verlichte kamer op de polikliniek van een ziekenhuis ergens in het land, alwaar hij zijn brood op de plank vandaan haalt.
Interviewer: Allereerst, fijn dat u tijd voor ons vrij kon maken. Zo te zien heeft u drukke, andere werkzaamheden?
PP: Helaas wel. Een beetje schrijver kan in dit land op een houtje bijten, als hij niet tot de beperkte kliek van bekende Nederlanders of lekkere wijven behoort. De boekverkoop is ingestort, in elk geval de mijne. Maar ik neem aan dat u niet hierheen bent gekomen om een klaagzang over het lot van kunstenaars aan te horen.
Interviewer: Inderdaad. Zoals u wellicht weet, is de discussie over vrijheid van meningsuiting weer actueel geworden, ditmaal door de rechtszaak tegen de heer Baudet, die de Holocaust vergeleek met het uitsluiten van ongevaccineerde medelanders.
PP: Ik heb er met kromme tenen kennis van genomen. Deze discussie hoort wat mij betreft thuis in het klaslokaal. Als wij onze middelbare scholieren de beginselen van onze democratische samenleving zouden leren, in plaats van een nutteloze burentaal, dan zou mij dit soort leed bespaard blijven. Want het is namelijk kinderlijk eenvoudig. Er zijn hier drie begrippen van belang: vrijheid, mening en uiting. Laten we beginnen met het gemakkelijkste woord: mening. Een mening is niets anders dan een gedachte die iemand heeft over een bepaald onderwerp. Vanzelfsprekend mag iedereen denken wat hij wil – wij kunnen als mens niet anders. Wat je vervolgens met die mening doet, dat is vers twee. Dat heet het uiten van in dit geval een mening, en dat is feitelijk een handeling. Je zet je gedachten om in actie, in het uitspreken van woorden.
Interviewer: En aan die vrijheid wordt volgens Baudet en
Wilders getornd.
PP: Terwijl zij als politici behoren te weten dat er in elke
maatschappij grenzen worden gesteld aan de vrijheid van een individu. Dat kan
ook niet anders. Stel je eens voor wat voor puinhoop het zou worden als wij allemaal zouden doen en laten waar wij zin in hebben. Dat heet anarchie, en elke
anarchist weet hoe dat eindigt: met oorlog. Daarom is in onze democratie vrijheid
gedefinieerd als: je mag doen en laten wat je wil, zolang je er een ander geen
schade mee berokkent. En precies daar ligt de clou. Je mag doen en zeggen wat
je wil, zolang je een ander niet kwetst. En zo komen we bij de betekenis van vrijheid
van meningsuiting: je mag denken wat je wil, en je mag dit uiten zolang je daar
iemand anders geen schade mee berokkent. Zo eenvoudig is het. Daar is geen
discussie over mogelijk, tenzij je niet begrijpt wat vrijheid en meningsuiting
betekenen.
Interviewer: Maar wanneer berokken je iemand schade? Het
doet mij denken aan de zwarte-piet discussie, waar nog steeds veel mensen het
met elkaar oneens zijn. Het is niet zo gemakkelijk om vast te stellen wanneer
je iemand kwetst of niet, zeker wanneer het voor jezelf niet invoelbaar is.
PP: Dat is helemaal waar, en dat is één van de redenen waarom
we een rechtstaat hebben ingevoerd. De rechter is namelijk degene die de
afweging moet maken tussen de vrijheid van een individu en de schade die een
ander individu daarvan ervaart, als men er onderling niet uitkomt. Hij maakt
die afweging niet uit de losse pols, integendeel. Hij gebruikt hiervoor onder
andere de normen en waarden die onze maatschappij heeft vastgesteld. En daar komen
we bij het democratische beginsel: wij spreken met z’n allen af wat wij wel en
wat wij niet als aanvaardbaar gedrag beschouwen.
Interviewer: Baudet zegt: ik mag in dit land niet meer
zeggen wat ik wil. Hij ziet dat als een fundamentele aantasting van zijn grondrecht.
PP: In dat geval zeg ik tegen Baudet: welkom in de
beschaafde wereld. Weet je, het is eigenlijk heel pijnlijk dat ik de
lijsttrekker van een politieke partij de grondbeginselen van onze samenleving moet
uitleggen. Het begint namelijk bij dat woord: samenleving. Wie in zijn eentje
in de woestijn staat, kan roepen wat hij wil. Maar wie samenleeft met andere
mensen, kan niet anders dan rekening met hen houden. Dit is een plicht – een grondplicht
als je het zo wil noemen – in onze samenleving. Je hebt namelijk het grondrécht
dat anderen rekening met jóu houden. Dit is de basis van iedere beschaving.
Interviewer: vindt u Baudet dan niet beschaafd?
PP: Een beschaving betekent: je houdt rekening met elkaar. Je
dringt niet voor bij de bakker. Je stopt voor een zebrapad. Je gooit geen
vuurwerk in mijn tuin. Je knijpt mijn dochter niet in haar kont als ze de kroeg
binnenloopt. Je vergelijkt vaccinatiepolitiek niet met genocide. Dat zijn regels die je met
elkaar afspreekt. Die regels zijn niet statisch, integendeel, die veranderen
voortdurend. Let wel, ik hou niet zo van regels. Want als het korset te strak wordt aangetrokken, ontstaat er een dictatuur.
Zit het te los, dan ontstaat er chaos, anarchie en oorlog. Het is een spel van
vele krachten die altijd in beweging zijn. Ik vind het heel belangrijk dat mensen voortdurend de grenzen opzoeken. Beschaving moet immers leven, want anders zijn wij als volk dood.
Interviewer: Zoals Baudet de grenzen nu opzoekt?
PP: Baudet kiest de Holocaust als vergelijkingsmateriaal. Vrijwel
iedereen in dit land weet hoe gevoelig dat ligt. Je hebt het over genocide,
over een van de grootste misdaden tegen de mensheid van de afgelopen eeuwen. Dat
hij het desondanks toch in de vaccinatiediscussie gebruikt, en niet één, niet
twee, maar dríe keer, kan in mijn ogen twee dingen betekenen. Of Baudet vindt
de Holocaust eigenlijk zo gek nog niet, óf hij weet wel degelijk hoe gevoelig het ligt en
gebruikt het als propagandamiddel om de aandacht op zichzelf te richten. In
beide gevallen kan je stellen dat de heer Baudet hiermee een enorme lul is.
Interviewer: Zo! En wat als hij u nu aanklaagt wegens smaad?
PP: Dan geef ik hem een hengst voor zijn kop en noem ik dat vrijheid van meningsuiting. Want een linkse directe is tenslotte ook maar een mening. Mensen lijken soms te vergeten waar de grenzen liggen. Vindt u dat ik een willekeurige vrouw zomaar op de bek kan nemen? Waarschijnlijk niet, als zij dat zelf niet wil. Vindt u dan dat ik haar wel een hoer mag noemen, zomaar, uit de losse pols? Of beroept u zich dan ineens op die zogenaamde vrijheid van meningsuiting? Precies daar ligt het pijnpunt. U mag vinden wat u wil, maar als u met uw uiting iemand kwetst, zult u de gevolgen daarvan moeten dragen. Zo eenvoudig is het.
Interviever: Dan sluiten wij het interview hiermee af. Bedankt voor deze verhelderende uitleg, en tot de volgende ontmoeting.
PP: Graag gedaan. Dan ga ik nu weer aan het werk, want deze gedachten van mij leveren geen rooie cent op.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten