Afgelopen zaterdag begaf ik mij met gevaar voor eigen leven tussen het winkelende kerstpubliek van Nijmegen. Persoonlijk heb ik een bloedhekel aan het kerstfeest. Ik ben geen man voor overdadige versieringen, truttige bloemstukjes of zoetsappige muziek uitgebraakt door overjarige nichten zoals Paul de Leeuw.
Het lijkt soms wel alsof Kerstmis het jaarlijkse excuus is voor mensen met een uitgesproken slechte smaak. Wanneer ik zo’n debiele tuinkabouter met honderden lampjes aan z’n dikke reet parmantig achter een eveneens overdadig verlichte slee zie staan, dan krijg ik een sterke neiging om de rooie puntmuts met een snelkookpan van z’n kop te meppen.
Ik bedoel, we leven toch verdomme niet in Lapland? We hebben hier niet eens sneeuw, laat staan kabouters. De kerstman is niets meer dan een veramerikaniseerde sinterklaas: een ouwe lul in een jurk met fors overgewicht en een luide neplach. Een soort Paul de Leeuw dus, en maar knipogen naar die leuke jongetjes.
En dan die bomen. Ik bedoel, welke psychisch gezonde kerel haalt het in zijn hoofd om een denneboom om te hakken, deze midden in de kamer neer te zetten en te behangen met gouden ballen, kralenkettingen en knipperende lampjes? En niet één keer, nee, er staat er eentje in de tuin, eentje in de kamer en eentje in de keuken. En onder iedere boom resideert het gezinnetje Christus, blij met de geboorte van het ‘Kinneke’ – hoezo truttig? – Jezus. Het is ook niet niks, bevallen in een lege stal zonder vroedvrouw of pijnstilling. Daar kom je zelfs in Nederland niet meer mee weg.
Ik snap best dat de detailhandel in de laatste maand van het jaar nog even de kas wil spekken. Dat zij daarvoor het kerstfeest misbruikt is weinig schokkend – zo zit onze kapitalistische maatschappij nou eenmaal in elkaar. Ik vind het ook prima dat de kerk nog wat zieltjes wil winnen, ook al hadden de oorspronkelijke Germaanse midwinterfeesten geen zak met de geboorte van het kinneke Jezus te maken. Maar voor een antikapitalistische atheïst als ik wordt het zo wel een zware beproeving.
En december is al een donkere maand, de dagen worden korter en de winterdepressie hakt er stevig in. Het is maar goed dat we met kerst twee dagen vrij hebben, dan kan ik even op adem komen. Wie weet, misschien heeft keizer Constantijn kerstmis wel bedacht als een feestje om het volk te behoeden voor collectieve zelfmoord of terreur. Zet de Taliban onder een spar met lampjes en je hebt nergens last meer van.
Maar goed, ieder z’n ding. Terug naar de zaterdagmiddag. Zo goed als mogelijk beschermd tegen de commerciële kerstkitsch slalomde ik door het vretende en rokende Nijmeegse winkelpubliek – de helft in grijze trainingspakken, de andere helft daarover sjagerijnig. De kadootjes waren zo gevonden, nu het afrekenen nog.
“Is het een kado?”
En daar sta je dan, met je kadootje. Want het is een kado, zekers, en het antwoord is dus ‘ja’. Maar voor je het weet wikkelen ze origineel glanzend pakpapier van de winkel om je CD of je boek, zodat iedereen kan zien waar het gekocht is en met hoeveel liefde het is ingepakt.
En dat wil ik helemaal niet! Ik wil mijn kado’s zelf inpakken! Ik wil hetzelfde papier om alle kado’s zodat niemand kan zien waar het gekocht is en ze tenminste nog ergens het idee hebben dat je er daadwerkelijk moeite voor hebt gedaan!
Vraag dan “Zal ik het voor u inpakken?” Maar dat gaat, denk ik, de meeste winkels te ver. Dan is het net alsof de klanten te lui zijn om het zelf in te pakken en het daarom de winkels maar laten doen. Stukje service van de zaak. Volgend jaar stoppen ze er een kalkoen voor in de magnetron bij.
Op “Is het een kado?” antwoordde ik dus, “Ja het is een kado maar ik wil het zelf inpakken,” en aanschouwde de daaropvolgende verwarring. Alleen het meisje van de V&D begreep mijn hint. Met enige voldoening verklapte ze me dat de V&D het vanaf volgend jaar niet meer zal doen, het inpakken voor de klant. In plaats daarvan komt er een tafel naast de kassa met papier, plakband en een schaar. Zoek het lekker zelf maar uit. Ik verheug me nu al op het tafereel.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten