Het is kwart over acht als ik de deur achter me dicht trek en op mijn fiets stap. Het duurt niet lang voordat ik de eerste huppeltut (type opgemaakte zonnebank, leren naaldhakken en overdreven merkjas) met een telefoon aan haar oor zie lopen. Al snel spot ik een tweede, bij de bushalte wacht een derde. Bij de Vodafone steekt een auto het fietspad over, achter het stuur een donkerharige griet, natuurlijk bellende. Even verderop komt een Indonesisch ogend meisje met overgewicht me tegemoet rijden op haar scooter met een telefoon aan haar helmloos oor. Iedere dag weer.
Het zal u niet onbekend in de oren klinken, dames die verslaafd zijn aan mobiel praten. Ter lering: deze soort heet beldoos (m/v), van de familie homo mobilis. Een gevaarlijke soort die explosief aan het groeien is.
Steeds weer vraag ik me af wat die vrouwen toch allemaal te bespreken hebben. Ik bedoel, ze zijn net wakker, de dag is nog geen uur oud. Hoeveel heb je dan te melden? Helemaal niks waarschijnlijk. Ze kleppen dezelfde nutteloze onzin als ze lezen in de glossies en de roddelbladen, en genieten met volle teugen.
En dat is misschien ook de reden dat het ze geen donder kan schelen dat iedereen meeluistert. Waar je vroeger je privéleven toch vooral privé wilde houden, gooit men het tegenwoordig zonder blikken of blozen op straat, of in de treincoupé. Voor een beldoos maakt het allemaal niet uit, als ze maar kan kleppen.
Als de dag er op zit, wandel ik naar m’n fietsje. Dan voltrekt zich een boeiend ritueel: de klaar-met-werk-beldozen worden wakker. Ze weten niet hoe snel ze hun telefoon tevoorschijn moeten halen zodra ze de eerste stap buiten hebben gezet. Terwijl ze worstelen met een tas en een sleutelbos in de ene hand, is met de andere de telefoon al opgestart. Het is overigens niet eenvoudig, eenhandig uitparkeren of een headset aansluiten terwijl je een gaspedaal indrukt. Multitasken is dan ook een van de sterke eigenschappen van de homo mobilis.
Recent onderzoek van verzekeraars heeft laten zien dat de eerste minuten van het telefoongesprek het meest interessant zijn. De aandacht voor de omgeving, in dit geval het verkeer, is dan namelijk minimaal. Dus pas ik extra op voor beldozen terwijl ik naar huis fiets.
Onderweg ontwijk ik enkele fietsers die als dronken torren over het fietspad slingeren. Ik zie hun karakteristieke houding van een afstandje, ik weet genoeg. Een sms-fietser. Eén hand aan het stuur en hoofd omlaag in plaats van naar voren. Een levensgevaarlijke belsoort met bovendien suïcidale neigingen.
Gisteren ontmoette ik bij de kassa van de appie voor het eerst de lak-aan-alles-beldoos. Niet tussen de rij klanten, dat zijn de aso-beldozen, maar nu het kassameisje zelf, die een telefoon tegen haar oor klemde en er vrolijk op los bebte terwijl ze mijn boodschappen langs de scanner trok. Tussen neus en mobieltje door vroeg ze of ik een bonuskaart had. Gewoon AH, dacht ik. Gewoon bellen, dacht zij.
En zo zijn er nog talloze andere soorten homo mobilis. Ik noem de treinbeldoos (“ik zie je over vijf minuten, maar ga toch nu al lekker ouwehoeren”), de zakelijke beldoos (“wacht even, er is iemand op de andere lijn”), de compulsieve sms-doos die iedere minuut haar telefoon controleert op nieuwe berichten, de vergader-beldoos (“Ik bel je zo terug, ik zit nu in een vergadering” - ZET HEM DAN NIET AAN), en die paar pseudobeldozen waarvan ik er een ben, mensen die iedere maand de helft van hun beltegoed ongebruikt betalen. Ook niet slim.
Zoals het de evolutie betaamt, staat de volgende generatie al klaar. Kinderen van negen hebben een mobiele telefoon, zodat hun ouders hen kunnen bellen, wanneer ze willen weten waar hun kroost uithangt. Deze beldooskinderen kopen ringtones en smsjes en bouwen een schuld op nog voordat ze weten wat dat überhaupt is. Op dit moment heeft de helft van alle Amerikaanse kinderen van tien een mobieltje. Het zal niet lang duren voordat dit in Europa niet anders is. De homo mobilis neemt gestaag de wereld over!
1 opmerking:
voorlopertje van een stukje borg technologie
Een reactie posten